Want geluk is niet te verduren

Stilleven is allereerst de aanduiding van een genre in de schilderkunst: een aantal objecten bij elkaar gelegd of gezet en dan min of meer realistisch op doek gebracht, vaak om schoonheid en vergankelijkheid te tonen (memento mori). Meestal komt er geen mens of ander levend wezen op voor, maar zijn het dingen, vaak voedingswaren, geslachte dieren, vaatwerk, overrijp fruit, een doodshoofd.

Ook in dit gedicht van Kouwenaar is er sprake van een dergelijk stilleven, al zien we hier wel een persoon op de afbeelding, namelijk een geïmpliceerd ik: stilleven met eter – wat een grappige toespeling is op bovengenoemd genre. En net als bij een traditioneel stilleven, is er een opeenstapeling of opsomming van min of meer toevallige objecten: theeglas, ei, de eter – scherven van een leven. De vraag die hier dan ook opdoemt, is of de eter inmiddels niet al dood is, en daarmee “geobjectiveerd” tot inderdaad onderdeel van dit stilleven, en vanzelfsprekend is het dood in metaforische zin, maar de slotregel laat er geen misverstand over bestaan: dit is een (al dan niet voortijdige) toestand van dood: toen men nog leefde – dat is voorbij. Of verbeeldt het gedicht al de vooruitgeziene daadwerkelijke dood van het ik?

Lees verder

Men moet zich hier uitschrijven

Wat als eerste opvalt, is dat het gedicht heel klankrijk is. Zoals wel vaker in de poëzie van de Vijftigers komt (traditioneel) eindrijm niet of schaars voor, maar we zien wel klankherhalingen als alliteratie en assonantie binnen regels en over regels heen. Zo luidt de eerste strofe:

Trager de wespen, schaarser de dazen
groenvliegen grijzer, engelen gene, niets
dat hier hemelt, alles brandt lager

Woordbetekenis, klank en metrum werken hier samen om het vertragende effect van de voorbijgaande zomer te verklanken als het waren. Een combinatie van dactylus en trochée (‒ ᴗ ᴗ  ‒ ᴗ ) vormt het grondpatroon van deze eerste regels (“niets” hoort metrisch gezien bij de volgende regel, en krijgt door de specifieke plaatsing aan het einde van de vorige regel extra nadruk). De drie lange a’s in regel 1 versterken dit vertragingseffect en vinden hun afsluiting in regel 3: lager.

Alles gaat op een lager vuurtje, het zijn de laatste dagen van de zomer, zoals de titel al aangeeft. Lager is dus niet alleen een plaatsbepaling (als contrast met de hoge hemel), maar ook een indicatie van afnemende snelheid en felheid. Het gebruik van hemel als werkwoord (persoonsvorm) roept associaties op met de zegswijze “hij is gaan hemelen” (d.w.z. overleden), maar betekent ook: niets gaat hier zo hoog als de hemel (“engelen gene”), het is allemaal heel aards.

Lees verder

De dichter en zijn mythe

De poëzie van Adriaan Roland Holst, de poëzie van William Butler Yeats, en de Keltische mythologie ontdekte ik als jonge twintiger ongeveer tegelijkertijd, en ze lagen mooi in elkaars verlengde.

Ter gelegenheid van de geboortedag van de Nederlandse ‘Prins der dichters’ heb ik een uitgebreid opstel van mijzelf uit 1994 uit de mottenballen gehaald. Het artikel gaat over de mythische kant van de poëzie van Roland Holst, gedemonstreerd aan enkele gedichten uit Voorbij de wegen (1920). Ik heb het enigszins ingekort en me een enkele stilistische verbetering veroorloofd – verder vraag ik verschoning voor de onvolkomenheden die het nog bevat, maar een auteur hoeft zich niet voor elk van zijn ‘jeugdzonden’ te schamen.

Iets, dat met verstand en weten spot

Een van de mooiste gedichten van J.A. dèr Mouw die ik ken is ‘Aquarium’, te vinden op p. 314 van het Volledig dichtwerk. Het kijken naar een aquarium doet de “ik” van het gedicht inzien hoe dit een weerspiegeling is van zijn dichterschap en hoe het kleinste is verbonden met het allergrootste.

De eerste regel werpt onze blik meteen op het aquarium, een bak met groenig water, schemerig bovendien. Het is een oceaan in het klein, een mini-wereld op zichzelf, maar ook daadwerkelijk deel van die oceaan. Het zeer kleine (aquarium) is zowel metaforisch (“oceaan”) als metonymisch (“stukje van”) verbonden met het oneindig grote. Deze tegenstelling tussen het heel kleine en het heel grote, de verhouding van microkosmos tot de macrokosmos, is een belangrijk element in de gedichten en levensbeschouwing van Johan Andreas dèr Mouw.

Lees verder