De behouden tong (Die gerettete Zunge) is het eerste deel van de jeugdherinneringen van Elias Canetti (1905-1994), beslaat de periode tot 1921 en leest als een roman. De spanning wordt opgebouwd door de innige maar problematische verhouding van de ik-verteller en zijn moeder, die leidt tot een dramatisch hoogtepunt. Ook secundaire personages worden in schetsvorm heel aardig uitgewerkt. Er wordt veel couleur locale geleverd door de verschillende geografische en culturele gebieden waarin de personages zich bewegen. Er wordt nogal wat gereisd en verhuisd, en dat door heel Europa heen. Wie Canetti leest, proeft (het oude) Europa.

Elias Canetti - De behouden tong

De ik-verteller wordt geboren in Roestsjoek, in het noorden van Bulgarije, dichtbij de Roemeense grens, waar vele nationaliteiten naast elkaar wonen. Zijn familie is van “Spanjools”-joodse afkomst (een paar honderd jaar eerder), men spreekt binnen de familie en soortgenoten nog steeds een archaïsche vorm van het Spaans. Met de locals (zoals de jonge dienstertjes) spreekt de jonge Canetti Bulgaars, een taal die hij later geheel kwijtraakt.

Als het gezin naar Manchester verhuisd is, spreken de gezinsleden Engels onderling, behalve wanneer de ouders iets te bespreken hebben dat niet voor kinderoren bestemd is; dan schakelen zij over in de taal van hun liefde, het Duits (vanwege hun gezamenlijke Weense schooltijd). De vader overlijdt jong. Het gezin woont dan achtereenvolgens in Wenen en Zürich en bezoekt tussendoor de oude familiewoonplaats in Bulgarije. De verteller wordt op een ruwe, bijna nietsontziende, maar zeer effectieve manier door de dominante moeder het Duits bijgebracht. Het is dit pan-Europese element, verteld op een schitterende wijze, waaraan deze memoires inhoudelijk hun aantrekkelijkheid ontlenen.

De relatie met de moeder is, zoals gezegd, problematisch. Zij is kunstzinnig (literatuur en vooral toneel) en tegelijk bekrompen (buitengewoon trots op financiële status van de familie). Zij is dominant, maar loopt ook over van liefde voor haar oudste zoon. Ze is in zekere zin heel intelligent, maar ook een beetje gek en beïnvloed door de “ziekte” van haar tijd (hysterie, zenuwachtigheid, zwakte). Freud wordt niet genoemd, maar zijn schaduw vertoont zich op elke bladzijde.

Voordat de vader sterft, heeft de moeder ook al elders in een “herstellingsoord” gezeten.  De suggestie wordt gewekt dat zij daar een liaison had met een van de behandelende geneesheren. Ook later blijkt dat ze eigenlijk behoefte heeft aan een nieuwe partner en dat het haar zwaar valt alleen te blijven na de dood van haar echtgenoot. Ze was ook pas 27, toen ze hem verloor. De ik-verteller is zich er, achteraf, van bewust dat zijn jaloezie een nieuw liefdesleven voor haar onmogelijk heeft gemaakt en dat zij daaronder geleden heeft. De term “seksuele frustratie” wordt niet expliciet genoemd in het boek, maar is wel onder de oppervlakte aanwezig. Moeder en zoon houden elkaar als het ware gevangen. De lezer beleeft de vertelling hoofdzakelijk vanuit de kinderlijke psyche van de verteller, hoewel steeds duidelijk is dat het herinneringen zijn van een volwassene.

Niet zonder reden voelt de zoon als een opluchting als het gezin uiteenvalt en de moeder weer moet herstellen in een rustoord. Hij woont dan zelfstandig in een soort pensionaat en is opgelucht dat hij niet meer haar bewaker hoeft te zijn. Tegelijkertijd vormt dat het begin van de geestelijke verwijdering van elkaar. De zoon, inmiddels veertien jaar, wordt noodgedwongen zelfstandiger, ontdekt passies (wetenschap, beeldende kunst) die de moeder afkeurt. De tragiek zit hem onder meer in het feit dat de moeder de kunstzinnigheid in haar zoon, via de intiem-gezamenlijke leesavondjes, hartstochtelijk gestimuleerd heeft, maar tot de conclusie komt dat hij de verkeerde kant op gaat, dat hij te veel zijn eigen richting kiest.

Het loopt erop uit dat tijdens een bezoek de moeder in een woede uitbarst die zo goed als vernietigend is voor de zoon. Hij is niets, hij is te weinig mannelijk, hij spiegelt zich teveel in de levens van anderen (ontdekkingsreizigers, kunstenaars, kortom de groten der aarde) maar heeft – in haar opinie – zelf nog niets doorleefd en geleefd. Om hem te “redden” haalt ze hem weg uit het huis in Zürich om naar het door de Eerste Wereldoorlog zwaar getroffen Duitsland te verhuizen, met onder andere het motief om hem een hardere leerschool van het leven te bieden, om hem echt leven te laten meemaken:

Met alle middelen verzette ik me tegen die verhuizing, maar zij luisterde nergens naar en nam mij mee. De enige volkomen gelukkige jaren, het paradijs in Zürich, waren ten einde. Misschien zou ik gelukkig zijn gebleven als zij me er niet had weggerukt. Het is echter waar dat ik andere dingen meemaakte dan die welke ik in het paradijs kende. Het is waar dat ik, gelijk de eerste mens, door de verdrijving uit het paradijs pas ontstond.

Met deze pijnlijke situatie, die echter een nieuwe levensperiode zal inluiden, eindigt het boek.

Er is nog heel veel op te merken over het boek: de soms bizarre, archaïsche familieverhoudingen binnen de familie; de uitgebreide typologie van de docenten en enkele medeleerlingen aan de diverse scholen; de door de moeder onderdrukte (kennis van) erotiek bij de zoon – hij ligt op dit terrein juist achter bij zijn leeftijdgenoten; het dwepen van moeder en zoon met schrijvers; het huis “Yalta” in Zürich, waarin hij als enige man tussen vrouwen leeft (zonder wezenlijke interesse voor hen); de eerste tekenen van het 20e-eeuwse antisemitisme in Wenen en zelfs in Zürich, ruim vóór de opkomst van de nazi’s; de levende tijdgenoten. “Bekijk hem goed”, zegt de moeder in Zürich tegen de zoon, “Dat is Lenin. Je zult nog over hem horen.” Voor ons lezers is dat een aardige knipoog, de Russische Revolutie staat op uitbreken.

Het allersterkst aan het boek is dat het noch een allerindividueelste expressie van een allerindividueelste emotie is, noch een vaag algemeen identificeerbaar en nietszeggend “wij allen”. De zogezegde herinneringen, die omgevormd zijn tot literatuur, bewegen zich, in de woorden van de auteur zelf ertussen: “Het overgangsgebied tussen individu en type is dat waar het een schrijver om gaat.” De vertellingen zijn globaal chronologisch geordend, maar borrelen anderzijds associatief op bij de verteller. Ze schotelen de lezer een rijk palet aan boeiende verhalen en anekdotes voor, die toch één geheel vormen. Het zijn veelkleurige verhalen die bij je blijven. Of het nu allemaal waar is (“echt gebeurd”), of niet.

Overigens is deze vertaling op sommige punten wel heel stroef en slordig. Als lezer struikel je een enkele keer over kromlopende en soms ronduit onbegrijpelijke zinnen.

Besproken boeken

Canetti, Elias, De behouden tong. Geschiedenis van een jeugd. Vertaald uit het Duits door Theodor Duquesnoy, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1978. 1e druk – paperback, 349p. – [Privé-Domein; 50].

Geplaatst in Niet gecategoriseerd

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *