Stilleven is allereerst de aanduiding van een genre in de schilderkunst: een aantal objecten bij elkaar gelegd of gezet en dan min of meer realistisch op doek gebracht, vaak om schoonheid en vergankelijkheid te tonen (memento mori). Meestal komt er geen mens of ander levend wezen op voor, maar zijn het dingen, vaak voedingswaren, geslachte dieren, vaatwerk, overrijp fruit, een doodshoofd.

Ook in dit gedicht van Kouwenaar is er sprake van een dergelijk stilleven, al zien we hier wel een persoon op de afbeelding, namelijk een geïmpliceerd ik: stilleven met eter – wat een grappige toespeling is op bovengenoemd genre. En net als bij een traditioneel stilleven, is er een opeenstapeling of opsomming van min of meer toevallige objecten: theeglas, ei, de eter – scherven van een leven. De vraag die hier dan ook opdoemt, is of de eter inmiddels niet al dood is, en daarmee “geobjectiveerd” tot inderdaad onderdeel van dit stilleven, en vanzelfsprekend is het dood in metaforische zin, maar de slotregel laat er geen misverstand over bestaan: dit is een (al dan niet voortijdige) toestand van dood: toen men nog leefde – dat is voorbij. Of verbeeldt het gedicht al de vooruitgeziene daadwerkelijke dood van het ik?
Lees verder