Amai, wat een kloek boek (ca. 30 x 45 cm). Indrukwekkend alleen al door de grootte (een soort modern groot folio), met bovendien een band in halfperkament met ribben. Wat is dit voor een boek?
Het is het Heilige Evangelie (d.w.z. alle vier de evangeliën) in een tekst uit 1657 (Statenvertaling, zie colofon), uitgegeven in 1939, aan de vooravond van WO2: schitterend papier, beperkte oplage, prachtige illustraties door Jan Th. Giesen.
Onlangs ontving ik een heel mooi boek per post. Ik had dit bemachtigd via Marktplaats, en tot mijn verbazing was er niet of nauwelijks op geboden en heb ik het voor een heel mooi bedrag kunnen kopen. Het gaat om de in 1903 verschenen vertaling van William Morris’ Kunst en maatschappij.
Morris, William, Kunst en maatschappij. Lezingen van William Morris, en van een levensschets voorzien door Henri Polak. Vertaald uit het Engels door M. Hugenholtz-Zeeven, A.B. Soep, Amsterdam, 1903. 1e druk – Gebonden, VII+159p. – Versieringen ontworpen en getekend door William Morris. – Boekverzorging: S.H. de Roos. Gedrukt door Ipenbuur & Van Seldam, Amsterdam, op papier van Van Gelder. Oplage 200, dit is nr. 14. Dit is een van de exemplaren met volledig perkamenten sierband (‘full vellum spitzel binding’).
De Maastrichtse typograaf en uitgever Alexandre Stols begaf zich graag op het pad van de internationale literatuur. Zoals we eerder hier al lieten zien, kwam hij verschillende keren voor de dag met Franse uitgaven, maar er blijkt ook een Italiaanse uitgave te bestaan, waarop wij onlangs stuitten.
Het gaat om een bloemlezing van teksten over Rome “van Dante tot Mussolini”, zoals de ondertitel van dit boek uit 1934 (!) luidt.
Behalve de opvallende keuze om de eigentijdse fascistische politicus in de bundel op te nemen (in de jaren ‘20 en ‘30 waren best wat kunstenaars en intellectuelen gecharmeerd van de vitalistische en hoekige ideologie), zien we ook een vignet met de ‘fasces’, het symbool dat zijn naam aan het fascisme gaf.
Het is geen onbekend gegeven dat Maastrichtse uitgevers / typografen uit de eerste helft van de 20e eeuw zich ook op de Franse markt begaven. Denk aan Alexandre (A.A.M.) Stols en Charles Nypels (gelieerd aan Leiter-Nypels). Gezien de ligging van Maastricht en de oriëntatie op de Franse cultuur wekt dat ook niet echt verbazing. Beide genoemde uitgevers hebben zich in verschillende uitgaven gemengd of ze geheel verzorgd, soms specifiek voor de Franse markt, soms ook deels voor bibliofielen uit Nederland. Bibliofiel zijn de meeste uitgaven zeker.
De afgelopen maanden zijn tal van dit soort uitgaven de Bibliotheca Habetsiana binnengeslopen, ondanks goede voornemens en toeziend oog van de wederhelft. In de komende weken zal ik er een aantal aan u voorstellen. We beginnen met een uitgave uit het nabijgelegen Luik / Liège.
Het dichtwerk van Guido Gezelle (1830-1899) is dermate omvangrijk dat het geheel niet makkelijk is te overzien. Als gevolg daarvan verwijl je als lezer al makkelijk bij de bekende hoogtepunten, zoals ”t Schrijverke, ”t er viel ne keer, Wintermuggen en natuurlijk Ego flos. Maar er is zoveel meer. Als vader van de Vlaamse taal was Gezelle kind van zijn tijd en zijn poëtica bij uitstek romantisch. Als (taal)gevoelige priester beleefde hij de natuur op vaak mystieke, beschouwende wijze. Geen wonder dat het mogelijk bleek een dikke bundel samen te stellen met alleen maar boomgedichten.
Wie bijzonder mooie boeken wil zien, die je anders nooit in zo groten getale bij elkaar ziet en waarvan er een heel aantal voor de gewone portemonnee onbereikbaar zijn, moet de jaarlijkse Maastricht Antiquarian Book & Print Fair (MABP) bezoeken. Ondergetekende was er weer bij en vond toch nog een leuk boekje voor zichzelf.
De MABP vindt plaats in de St. Janskerk te Maastricht en is qua datum altijd gekoppeld aan grote broer, de TEFAF in Maastricht. Normaliter is deze in het voorjaar en de laatste keer, begin maart 2020, nam het aantal corona-besmettingen zo snel toe, dat de TEFAF voortijdig moest opbreken. De MABP duurde van 6 tot en met 8 maart en dat was voor mij zo’n beetje het laatste social event van dat jaar. Zie ons eerdere verslag daarvan.
Voor de katholieken te vrijzinnig, voor de vrijzinnigen te katholiek. De dichter Jan Engelman werd tijdens de hoogtijdagen van zijn dichterschap zowel vereerd als verguisd. Hij kreeg met name kritiek op zijn soms onverhuld erotische gedichten, zoals “Zacht branden”:
Zacht branden van de teedre lenden: een wiegeling, een wit satijn aan mijne handen, de gewenden, die met haar leest verzameld zijn
tot éénen slag en in het stuwen des bloeds niet laten van hun wit. Die stem, die stameling bij ’t huwen: wie zijt gij? ─ En het diepst bezit
de tweelingster, haar oogen, weergevonden in de golven en het nachtstruweel der haren, stroomende ontbonden op dezen schouder en haar prille keel.
In het online tijdschrift Neerlandistiek ga ik uitgebreid in op de bijzondere aard van het dichterschap van Engelman, in twee afleveringen: in de eerste aflevering bespreek ik enkele gedichten uit Tuin van Eros (1932), in de tweede aflevering reflecteer ik op de reacties van de tijdgenoten van Engelman.
Bibliofilie hoeft geen dure hobby te zijn. De visueel ingestelde lezer wordt op zijn wenken bediend door bijvoorbeeld de paperbacks in een van de reeksen van uitgeverij De Bezige Bij uit de jaren ’60 en ’70: Literair Paspoort, Literaire Pockets en vooral de Literaire Reuzenpockets (LRP). De meeste titels uit deze reeksen zijn voor enkele euro’s te krijgen in antiquariaten, via online kanalen, en zelfs in kringloopwinkels kom ik ze wel vaker tegen. Hieronder een aantal voorbeelden uit de reeks Literair Paspoort:
Bijzonder lees- én verzamelwaardig zijn vooral de boeken waarvan Karel Beunis de typografie en/of het omslagontwerp voor zijn rekening heeft genomen, althans in naam – daarover zometeen meer. Wie mij al langer volgt, weet dat ik erg gecharmeerd ben van deze uitgaven, waarin zowel eigentijdse Nederlandse schrijvers als literatuur in vertaling verscheen. Het ging om moderne literatuur in een modern jasje vormgegeven.
Het jaar 1937 was het 350-ste geboortejaar van Joost van den Vondel. Bovendien was Gysbrecht van Aemstel, een van zijn bekendste werken, precies 300 jaar oud. De grote Vondel-herdenking werd dat jaar gevierd met tal van uitgaven van zijn werken, waaronder de 10 kloeke delen van De werken van Vondel (uitgegeven tussen 1927 en 1937).
Ik realiseer me dat mijn uitgebreide kennismaking met Vondel (en overigens ook Hooft en Huygens) met name te danken was aan de uitstekende lessen aan het Henric van Veldekecollege te Maastricht. Naast de bekendste (kleinere) gedichten van Vondel hebben we destijds in de klas (vwo 5) ook Gysbrecht van Aemstel integraal gelezen.
In 1996 studeerde ik af aan de Radboud Universiteit, die toen nog Katholieke Universiteit Nijmegen heette. Mijn afstudeerscriptie ging over de bekendste onbekende katholieke dichter uit het interbellum, Jan Engelman (1900-1972). In een vorige aflevering behandelde ik het ontluiken van dit boeiende dichterschap, van zijn bijdragen aan tijdschrift De Gemeenschap (1925) tot en met de fraaie bundel Sine Nomine (1930). In onderstaande ga ik in op Engelmans belangrijkste dichtbundel, die bovendien een interessante drukgeschiedenis kent en waarbij ook voor bibliofielen pur sang wat te beleven valt: Tuin van Eros.
Tuin van Eros (1932), band met tekening van Henk Wiegersma
Context
De eerste druk van Tuin van Eros (1932) verschijnt in een periode dat Engelman buiten De Gemeenschap staat. Behalve dat hij sinds 1930 geen redacteur meer is, draagt hij ook niets meer bij aan het tijdschrift dat hij ooit samen met Kuitenbrouwer en Kuyle, nu zijn vijanden, oprichtte. Binnen de groep van De Gemeenschap zijn zelfs steeds meer negatieve geluiden in de richting van Engelman te horen, bijvoorbeeld van Albert Kuyle en Henk Kuitenbrouwer. Zo publiceert Kuyle in 1932 in het tijdschrift zelf een fel polemisch stuk, waarin hij ontkent dat Engelman in de voorbije periode ook maar van enige positieve waarde voor de katholieke literatuur is geweest. Alleen Anton van Duinkerken neemt het voor Engelman op.