Vlees noch vis (Over een liefde van Manet)

Of: het ongemak van een hybride genre

Op een zonnige zondag begon ik te lezen in dit fraaie boek van Thera Coppens over de schilder Edouard Manet en zijn Nederlandse geliefde, de pianiste Suzanne Leenhoff. Coppens is een bekend historica en haar vertelstijl maakt deze (dubbel)biografie tot een boeiend verhaal, plezierig om te lezen.

Maar tijdens het lezen begon er toch iets te wringen. Spontaan kwam bij mij steeds meer de vraag op: maar hoe weet Coppens dit allemaal? Wat Suzanne dacht, dat ze bij een bepaald winkelraam bleef stilstaan, dat de vader van Manet hoopvol aan de kade wachtte op zijn zoon en nog veel meer feitjes, overwegingen en emoties? Plots realiseerde ik me dat Coppens toch wel erg veel invult, zoals een romancier voor zijn personages. Achterin het boek staan weliswaar wat eindnoten met verwijzing naar documenten en boeken, maar de omvang daarvan dekt bij lange na niet de inhoud van het boek.

Lees verder

Wat verloren ging (Joseph Roth)

Joseph Roth is een melancholisch stemmend schrijver, die het verlangen weet op te wekken naar wat verloren is gegaan, en dat was in zijn dagen heel wat. In Hotel Savoy keert de hoofdpersoon uit krijgsgevangenschap terug naar het westen.


In veel van zijn boeken is Joseph Roth een tot melancholie stemmende schrijver. Ik maakte kennis met zijn leven en werk door de geweldige documentaire van Hans Keller, die op televisie werd uitgezonden: Josef Roth’s Grosse-Welt-Bioskop-Theater (1994). Sinds die tijd ben ik de werken van Roth gaan lezen. De nostalgische melancholie doordesemt ook het boek Hotel Savoy, over de uit Rusland terugkerende Duitse en Oostenrijkse krijgsgevangenen. De tocht naar het westen is een overgang naar de beschaving, het hotel krijgt een speciale betekenis: “Voor het eerst in vijf jaar sta ik weer voor de poorten van Europa.” Een simpele zin, met veel associatief vermogen.

Ik leef in een witte wereld van hemel en sneeuw. Barakken bedekken de aarde als gele lepra. Ik proef de zoete laatste trek uit een opgeraapte sigarettepeuk, lees de advertentiepagina van een stokoude krant uit het vaderland, waaruit je vertrouwde straatnamen kunt terughalen, je de kruidenier herinnert, een portier, blonde Agnes met wie je naar bed bent geweest.

Ik hoor de wellustige regen in een doorwaakte nacht, de vlug afsmeltende ijspegels in de glimlachende morgenzon, ik grijp de machtige borsten van een vrouw die je onderweg bent tegengekomen, op de grond hebt gelegd, de witte pracht van haar dijen. Ik slaap de bedwelmende slaap op de hooizolder in de schuur. Ik loop over de omgeploegde akkers en luister naar het dunne gezang van een balalaika.

Zoveel kun je in jezelf opzuigen terwijl je lichaam, je gang en je gedrag hetzelfde blijven. Uit miljoenen bekers slurpen, nooit genoeg hebben, als een regenboog in alle kleuren schitteren, toch steeds een regenboog blijven, in hetzelfde kleurenscala.


Besproken boek

Joseph Roth, Hotel Savoy. Een roman. Vertaald uit het Duits door Huib van Krimpen, Bas Lubberhuizen, Amsterdam, 1994. 1e druk – paperback, 143p.

Kansloze missie: Culturele Coryfeeën

Als er een boek op de mat valt, dat over een aantal van je geliefde auteurs gaat, ben je even een moment blij. Totdat je begint te lezen en beseft dat de ronkende titel, Culturele Coryfeeën, beide met hoofdletter, een voorafschaduwing is van de inhoud.

De op zich neutrale aanduiding in de ondertitel “een eerbetoon aan” wordt dan plotseling een extra alarmbel die gaat rinkelen: hier is een auteur aan het woord die in mateloze bewondering neerknielt voor de Groten der Aarde, nou ja: cultuurdragers van Nederlands grondgebied.

Lees verder

Sartre tegen de muur

Het geheugen is gebrekkig, ook als het om legendarische verhalen of romans gaat. Soms ga je dan herlezen, en soms is dat een meer of minder zware teleurstelling. Soms ook gelukkig niet. Het verleden is een ander land, en zelf was je ook een ander.

Sartre-Muur

Zo kon ik mij eigenlijk helemaal niets meer herinneren van de inhoud van De muur (Le mur) van Sartre – ik bedoel hier specifiek het titelverhaal uit de bundel. Nog geen 25 bladzijden, ook destijds al in het Nederlands gelezen voor het gemak en het goede begrip: en toch was het helemaal weg.

Lees verder

De eigenzinnigheid van Kees Fens

Zoals het leven van een kleurrijke en fascinerende persoonlijkheid als Kees Fens niet in enkele bladzijden is te vatten, zo is een omvangrijke levensbeschrijving als die door Wiel Kusters niet af te doen in enkele woorden. Daarnaast is schrijver dezes belast met een mogelijke positieve vooringenomenheid, voortkomend uit een niet te onderschatten bewondering voor de leermeester die Kees Fens ook voor hem was, in de meest letterlijke maar ook in de meest uitgebreide zin. Desalniettemin een poging.

De door Kusters geschreven biografie bevat veel herkenbaars, uiteraard voor wie Fens’ publicaties in zekere mate gevolgd heeft en nog meer voor wie ook persoonlijk “les” van hem heeft gehad. Dat zou Fens overigens allerminst verbazen, want hij heeft zich wel eens laten ontvallen hoe verbazingwekkend een mens uiteindelijk toch constant was, zichzelf bleef, dezelfde streepjes in boeken zette.

Lees verder

Louis Couperus – Correspondentie

Het kan niet anders of het moet een grote liefde zijn voor het leven en werk van Louis Couperus die H.T.M. van Vliet er jaar in jaar uit toe drijft bezig te zijn met het werk van een van Nederlands grootste auteurs. Tot de grootste verdiensten van Van Vliet aan het levend houden van Couperus’ werk behoren de 50-delige Volledige Werken (1987-1996), zijn boeken Eenheid in verscheidenheid: over de werkwijze van Louis Couperus uit 1996 en Versierde verhalen: de oorspronkelijke boekbanden van Couperus’ werk uit 2000 en de recentelijk verschenen uitgave van Couperus’ correspondentie.

Lees verder

Elias Canetti & het oude Europa

De behouden tong (Die gerettete Zunge) is het eerste deel van de jeugdherinneringen van Elias Canetti (1905-1994), beslaat de periode tot 1921 en leest als een roman. De spanning wordt opgebouwd door de innige maar problematische verhouding van de ik-verteller en zijn moeder, die leidt tot een dramatisch hoogtepunt. Ook secundaire personages worden in schetsvorm heel aardig uitgewerkt. Er wordt veel couleur locale geleverd door de verschillende geografische en culturele gebieden waarin de personages zich bewegen. Er wordt nogal wat gereisd en verhuisd, en dat door heel Europa heen. Wie Canetti leest, proeft (het oude) Europa.

De ik-verteller wordt geboren in Roestsjoek, in het noorden van Bulgarije, dichtbij de Roemeense grens, waar vele nationaliteiten naast elkaar wonen. Zijn familie is van “Spanjools”-joodse afkomst (een paar honderd jaar eerder), men spreekt binnen de familie en soortgenoten nog steeds een archaïsche vorm van het Spaans. Met de locals (zoals de jonge dienstertjes) spreekt de jonge Canetti Bulgaars, een taal die hij later geheel kwijtraakt.

Als het gezin naar Manchester verhuisd is, spreken de gezinsleden Engels onderling, behalve wanneer de ouders iets te bespreken hebben dat niet voor kinderoren bestemd is; dan schakelen zij over in de taal van hun liefde, het Duits (vanwege hun gezamenlijke Weense schooltijd). De vader overlijdt jong. Het gezin woont dan achtereenvolgens in Wenen en Zürich en bezoekt tussendoor de oude familiewoonplaats in Bulgarije. De verteller wordt op een ruwe, bijna nietsontziende, maar zeer effectieve manier door de dominante moeder het Duits bijgebracht. Het is dit pan-Europese element, verteld op een schitterende wijze, waaraan deze memoires inhoudelijk hun aantrekkelijkheid ontlenen.

Lees verder

Patserig maar charmant: Bonita Avenue

Met Bonita Avenue heeft Peter Buwalda een boek geschreven dat meeslepend is en veel vaart heeft. Dat is de kracht maar tegelijk ook de zwakte van het boek. Met behulp van per hoofdstuk wisselende vertellers en bijbehorend perspectief, voortdurende verspringingen in de tijd (waardoor de spanning wordt opgevoerd), variatie in manier van vertellen (hij-vorm versus ik-vorm) en spectaculaire gebeurtenissen (politiek, porno en psychose) krijgen we als lezer een kaleidoscoop voor ogen, waaraan voortdurend wordt gedraaid. Dat maakt het verhaal veelkleurig en levendig.

Het vlotte taalgebruik helpt daarbij zeker. Maar daar wringt tegelijk ook de schoen. Buwalda houdt van taal, zoveel is duidelijk, en weet deze ook vaardig te hanteren. Dat ontaardt helaas regelmatig in een opeenstapeling van “leuk gevonden” formuleringen, vergezochte taalgrappen, spectaculaire situaties en het overmatig gebruik van hyperbolen in de uitingen van zijn personages. Het is spierballenproza van het type waar ook Zwagerman zich graag aan overgeeft (vandaar dat deze ook tijdens Manuscripta laaiend enthousiast dit boek aanwees als favoriet voor de NS Publieksprijs).

Lees verder

“Beter kan ik even niet” (Kees Fens)

Sommige mensen kun je echt missen omdat ze er niet meer zijn. Kees Fens hoort daar bij. Ook als je hem voor zijn overlijden in 2008 al ruim tien jaar niet meer persoonlijk had ontmoet. Gelukkig kwam hij nog vaak genoeg op televisie. Zijn enthousiasme en vermogen tot bewonderen heeft hij overgedragen op een hele generaties studenten en lezers (die in bredere zin als zijn studenten kunnen worden gezien).

Zelf koesterde hij als lezer zijn eigen leermeesters, die hij als autodidact vooral in boeken terugvond. Kees Fens heeft geen “school gemaakt” in de klassieke zin van het woord. Daarvoor was hij te weinig theoreticus en te zeer een liefhebber van de praktijk. Te breed georiënteerd ook. Wel heeft hij een aantal mensen ongeneeslijk besmet met liefde voor poëzie in het algemeen en voor het werk van dichters als Leopold, Nijhoff, Achterberg, Kouwenaar en Faverey in het bijzonder.

Lees verder

Vader God of papa aap? (Gould)

Wat we omtrent het “hogere” aan intuïties hebben, behoort tot het domein van religie, de filosofie en de taal, die een waarde op zichzelf vormen. Dit niet-wetenschappelijke “kennen” gaat niet om hoe de wereld is (en hoe haar fysieke werkingen zijn), maar om hoe de wereld zou moeten zijn (“ought to be”), hoe je een goed leven leidt en waarom bepaalde kunstwerken van groot belang zijn. Eigenlijk was ik daar wel een beetje uit voor mezelf, maar heb ik dat nooit op een duidelijke manier op een rijtje gezet of opgeschreven.

Hoopvol begon ik dan ook aan het boekje God en Darwin (en meteen valt het gebruik op van het voegwoord “en” in plaats van “of”) van de toch wel eminente evolutiebioloog Stephen Jay Gould. Hij verdedigt het standpunt dat religie en natuurwetenschap eigen, niet-overlappende magisteria (zeg maar “vakken”) zijn, afgekort NOMA, die naast elkaar kunnen en moeten bestaan, zonder met elkaar op voet van oorlog te leven.

Lees verder