Een 19e-eeuwse Viking-saga

Tegnér, Esaias, Frithjofs-Saga. Vertaald uit het Zweeds door P.L.F.C. von Eichstorff, Elsevier, Rotterdam, 1882. 1e druk – Gebonden, 145p. – Herzien door J.J.L. ten Kate. Met twaalf ‘platen in lichtdruk’ (en diverse vignetten) naar Knut Ekwall, ‘en portret van den schrijver’.


Navigeer met de pijltjes voor meer illustraties.

Amor & Psyche

Eind 19e eeuw waren de bekende figuren uit de Griekse mythologie Amor (Eros) & Psyche populair in de literatuur en de kunsten. Denk bijvoorbeeld aan Psyche van Louis Couperus.

Onlangs stuitte ik op onderstaande prachtige uitgave van een Duits episch gedicht, getiteld Amor und Psyche.

Robert Hamerling, Amor und Psyche. Adolf Titze, Leipzig, 1882. 1e druk – Gebonden, 142p. – Illustraties van Paul Thumann.

Lees verder

Ik kom in dat gesprek niet voor (Ed Leeflang)

Ik moet bekennen dat ik het werk van Ed Leeflang niet echt kende, hooguit hier en daar een gedicht gelezen, geen specifieke indruk aan overgehouden. Al bladerend in de bundel Late zwemmer (1992) stuitte ik op het titelgedicht en dat intrigeerde mij wel.

Het lijkt een simpel verhaaltje: de ik drijft in de zee en laat zich bewegen door de deining van de golfslag, “flauw watertrappend en niet moe”, wat ook een associatie met (ouderwetse) zwemexamens oproept. De deining is “hoog en sloom, / waarop wat vogels stijgen en verdwijnen”. Het “wat” maakt de zin nog nonchalanter: het aantal vogels doet er niet toe, ze drijven maar wat. Verderop in het gedicht is er sprake van schouderophalen en onverschilligheid, wat qua betekenisveld aansluit op deze ontspannen nonchalance (maar daarover zo meteen meer).

De regelmaat van het  “stijgen en verdwijnen” komt overeen met het rijzen en dalen van de golven in de zee, en wordt in de assonantie en het metrum van deze regel als het ware geïconiseerd.

Lees verder

“Eene voorstelling naar het leven” (C.E. van Koetsveld)

Zoals regelmatige lezers van dit blog weten, laat ik mij niet snel afschrikken door wat onbekend of inmiddels vergeten lijkt. Eind 19e eeuw hebben de Tachtigers grondig afgerekend met wat in de volksmond wel is aangeduid met “domineespoëzie”, die gekenmerkt zou zijn door braafheid en beuzelarij, met God, vaderland en gezin als leidmotieven. Het proza zou vooral oubollig zijn, met zijn licht humoristisch (bedoeld) realisme. De afgelopen decennia hebben diverse onderzoekers en enthousiastelingen geprobeerd dit beeld bij te stellen, maar een dergelijk frame is vaak nogal hardnekkig.

Het dilemma van de lezer/bibliofiel

En laten we eerlijk zijn: wie leest nog regelmatig een boek van Jacob van Lennep, C. van Nievelt of mevr. Bosboom-Toussaint? Wie smult er nog van de gedichten van J.J.L. ten Kate, Jan Frederik Helmers, A.J. de Bull, of Hendrik Tollens? Wat er vaak van is overgebleven, is omhulsel in de letterlijke zin: fraaie 19e-eeuwse bandjes, meer curiosum dan dat ze onze literaire smaakpapillen prikkelen. De vraag naar deze deeltjes is relatief gering en ondanks de ouderdom zijn de prijzen online vrij bescheiden, behalve voor enkele heel schaarse uitgaven.

Lees verder

Vlees noch vis (Over een liefde van Manet)

Of: het ongemak van een hybride genre

Op een zonnige zondag begon ik te lezen in dit fraaie boek van Thera Coppens over de schilder Edouard Manet en zijn Nederlandse geliefde, de pianiste Suzanne Leenhoff. Coppens is een bekend historica en haar vertelstijl maakt deze (dubbel)biografie tot een boeiend verhaal, plezierig om te lezen.

Maar tijdens het lezen begon er toch iets te wringen. Spontaan kwam bij mij steeds meer de vraag op: maar hoe weet Coppens dit allemaal? Wat Suzanne dacht, dat ze bij een bepaald winkelraam bleef stilstaan, dat de vader van Manet hoopvol aan de kade wachtte op zijn zoon en nog veel meer feitjes, overwegingen en emoties? Plots realiseerde ik me dat Coppens toch wel erg veel invult, zoals een romancier voor zijn personages. Achterin het boek staan weliswaar wat eindnoten met verwijzing naar documenten en boeken, maar de omvang daarvan dekt bij lange na niet de inhoud van het boek.

Lees verder

Hoe men letteren onderwijst en leert (Rollin)

Nog niet zo lang geleden stuitte ik op een complete uitgave van een 4-delig werk uit de 18e eeuw. Het is niet een eerste druk, maar wel een volledige uitgave van dit boeiende werk over het gehele spectrum van de Schone Letteren. Eerdere drukken verschenen al in o.a. 1736.

Titelbeschrijving

Rollin, M., De la manière d’enseigner et d’étudier les Belles Lettres [4 Tômes complète]. Par rapport à l’esprit & au coeur. Nouvelle Edition. Chez Les Freres E[s]tienne, Paris, 1768. – Gebonden, XXVI+LXXXX+434+576+479+604p. – Deel 3 heeft een extra ondertitel: ‘De L’Histoire’. In deel 1 is er een fout in de paginanummering, die van 124 naar 135 springt, maar de tekst is compleet. De naam van de uitgeverij wordt beurtelings gespeld als ‘Etienne’ en ‘Estienne’, wat qua uitspraak in die tijd al hetzelfde moet zijn geweest.

Lees verder

Aanwinsten mei 2024

In mei kwamen weer mooie boeken op mijn pad, waaronder een heel aantal in het genre “boeken over boeken”. De jeugdverzen van Van Eeden vond ik uiteindelijk niet interessant genoeg (en het exemplaar kent van binnen nogal wat defecten), waardoor ik dat weer weggedaan heb.

Van boven naar beneden

Bonnet, Jacques, Een boekenkast vol geesten. Vertaald uit het Frans door Eveline van Hemert, Mouria, Amsterdam, 2009. 1e druk – Paperback, 143p.

Greene, Graham, Het eind van de relatie. Vertaald uit het Engels door Peter Verstegen, Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2021. 1e druk – Gebonden, 189p. – [Perpetua]. – Nawoord Jamal Ouariachi.

Troelstra, Anne S. (red.), Van Spitsbergen naar Suriname. Nederlandse natuurhistorische reisverhalen. Atlas, Amsterdam / Antwerpen, 2008. 1e druk – Paperback, 478p.

Pettegree, Andrew; Weduwen, Arthur der, De boekhandel van de wereld. Drukkers, boekverkopers en lezers in de Gouden Eeuw. Vertaald uit het Engels door Frits van der Waa, Atlas Contact, Amsterdam / Antwerpen, 2019. 1e druk – Gebonden, 608p.

Coppens, Thera, Suzanne en Edouard Manet. De liefde van een Hollandse pianiste en een Parijse schilder. Meulenhoff, Amsterdam, 2014. 2e druk – Gebonden, 366p.

Korsten, F.W., Lessen in literatuur. Vantilt, Nijmegen, 2009. 3e druk – Paperback, 336p.

[anonymus], Boekhandels in beeld. Nederlandse Boekverkopersbond, Bilthoven, 2007. 1e druk – Gebonden, 147p.

Want geluk is niet te verduren (Gerrit Kouwenaar)

Stilleven is allereerst de aanduiding van een genre in de schilderkunst: een aantal objecten bij elkaar gelegd of gezet en dan min of meer realistisch op doek gebracht, vaak om schoonheid en vergankelijkheid te tonen (memento mori). Meestal komt er geen mens of ander levend wezen op voor, maar zijn het dingen, vaak voedingswaren, geslachte dieren, vaatwerk, overrijp fruit, een doodshoofd.

Ook in dit gedicht van Kouwenaar is er sprake van een dergelijk stilleven, al zien we hier wel een persoon op de afbeelding, namelijk een geïmpliceerd ik: stilleven met eter – wat een grappige toespeling is op bovengenoemd genre. En net als bij een traditioneel stilleven, is er een opeenstapeling of opsomming van min of meer toevallige objecten: theeglas, ei, de eter – scherven van een leven. De vraag die hier dan ook opdoemt, is of de eter inmiddels niet al dood is, en daarmee “geobjectiveerd” tot inderdaad onderdeel van dit stilleven, en vanzelfsprekend is het dood in metaforische zin, maar de slotregel laat er geen misverstand over bestaan: dit is een (al dan niet voortijdige) toestand van dood: toen men nog leefde – dat is voorbij. Of verbeeldt het gedicht al de vooruitgeziene daadwerkelijke dood van het ik?

Lees verder

Men moet zich hier uitschrijven (Gerrit Kouwenaar)

Wat als eerste opvalt, is dat het gedicht heel klankrijk is. Zoals wel vaker in de poëzie van de Vijftigers komt (traditioneel) eindrijm niet of schaars voor, maar we zien wel klankherhalingen als alliteratie en assonantie binnen regels en over regels heen. Zo luidt de eerste strofe:

Trager de wespen, schaarser de dazen
groenvliegen grijzer, engelen gene, niets
dat hier hemelt, alles brandt lager

Woordbetekenis, klank en metrum werken hier samen om het vertragende effect van de voorbijgaande zomer te verklanken als het waren. Een combinatie van dactylus en trochée (‒ ᴗ ᴗ  ‒ ᴗ ) vormt het grondpatroon van deze eerste regels (“niets” hoort metrisch gezien bij de volgende regel, en krijgt door de specifieke plaatsing aan het einde van de vorige regel extra nadruk). De drie lange a’s in regel 1 versterken dit vertragingseffect en vinden hun afsluiting in regel 3: lager.

Alles gaat op een lager vuurtje, het zijn de laatste dagen van de zomer, zoals de titel al aangeeft. Lager is dus niet alleen een plaatsbepaling (als contrast met de hoge hemel), maar ook een indicatie van afnemende snelheid en felheid. Het gebruik van hemel als werkwoord (persoonsvorm) roept associaties op met de zegswijze “hij is gaan hemelen” (d.w.z. overleden), maar betekent ook: niets gaat hier zo hoog als de hemel (“engelen gene”), het is allemaal heel aards.

Lees verder