Onbekend maakt onbemind. Dat geldt in het bijzonder voor een groot deel van de Nederlandse literatuur uit de 19e eeuw, die eeuw van ‘braafheid’ en ‘domineespoëzie’. Op dat misverstand is door verschillende kenners is al vaker gewezen. Dat betekent echter niet dat de ‘schade’, door de Tachtigers aangebracht, meteen ongedaan is gemaakt. Ook voor een doorsnee neerlandicus is de literatuur van de 19e eeuw grotendeels onbekend.
Niet alleen maar domineesdichters Verrassingen komen niet alleen. Enkele weken geleden verwierf ik, naast een aantal klassiek geworden handboeken literatuurgeschiedenis, ook een groot aantal eigentijdse uitgaves van 19e-eeuwse dichters en schrijvers, waaronder Willem Bilderdijk (zie ook deze aflevering), Nicolaas Beets, J.J.L. ten Kate, H. Tollens, P.A. de Génestet, Jacob van Lennep en Carel van Nievelt. Niet allemaal auteurs waarvoor nu nog warme belangstelling bestaat. Maar binnen die vaak fraai versierde boekbanden blijken soms wel degelijk juweeltjes verborgen. Zo blijkt de veelgesmade Ten Kate nogal wat buitenlandse literatuur vertaald te hebben, waaronder La Gerusalemme liberata van Torquato Tasso.
We vertellen elkaar graag fabeltjes, maar niemand kon dat waarschijnlijk zo goed als Jean de la Fontaine. Tijdens een van onze gebruikelijke schatgraverstochten stuitten wij op een fraaie Franse uitgave uit 1818.
Illustraties
Het boek is voorzien van prachtige gravures. Blader door enkele afbeeldingen hieronder via de pijltjes:
Besproken boek
Fontaine, Jean de la, Oeuvres complètes – Fables [2 tômes]. Précédées d’une nouvelle notice sur sa vie. Chez Lefèvre, Paris, 1818. Gebonden, XCI+242+320p.
Voor oudere literatuurgeschiedenissen heb ik een zwak, zeker als ze van vóór 1940 zijn. Zo heb ik het uit 7 delen bestaande hoofdwerk van G. Kalff en de beroemde (in de loop van decennia verschenen 7 van de geplande 9) in leer gebonden delen onder redactie van F. Baur. Een Duitse literatuurgeschiedenis van dit kaliber had ik nog niet.
Deze literatuurgeschiedenis is verschenen in 2 prachtig versierde, degelijke Duitse banden, de inhoud is grotendeels in Fraktur (“gotisch schrift”) gedrukt.
De dichter A.J. de Bull is niet erg bekend, zijn gedichten zijn ook niet van dermate aard dat we hier een meesterwerk hebben opgediept. Ook is de uitgave niet heel onvindbaar en de meeste exemplaren worden voor een kleine prijs aangeboden. Toch ging ook dit boek mee naar huis.
Aangetrokken door de fraaie vormgeving met de versierde band op een manier die typerend is voor eind 19e / begin 20e eeuw, nam ik het boek in de hand. Niet per se de beste poëzie uit de negentiende eeuw.
Boeken uit de eerste helft van de 20e eeuw vallen vaak op door hun fraaie typografie en vooral ook de (stempel)banden. Op het moment dat ze niet heel zeldzaam zijn, zijn deze boeken voor enkele euro’s tot enkele tientjes toe te voegen aan je bibliotheek, zoals onderstaand fraaie boek over de kerkvader Augustinus.
Los van wat je standpunt is in religieuze zaken, is dit een boeiende levensbeschrijving (‘géén “heiligenleven” naar ouden trant’, aldus het ‘woord vooraf van den vertaler’), die bovendien heel fraai is uitgegeven. De taal van het boek is literair, smeuïg, sappig.
In 1996 studeerde ik af aan de Radboud Universiteit, die toen nog Katholieke Universiteit Nijmegen heette. Mijn afstudeerscriptie ging over de bekendste onbekende katholieke dichter uit het interbellum, Jan Engelman (1900-1972). In een vorige aflevering behandelde ik het ontluiken van dit boeiende dichterschap, van zijn bijdragen aan tijdschrift De Gemeenschap (1925) tot en met de fraaie bundel Sine Nomine (1930). In onderstaande ga ik in op Engelmans belangrijkste dichtbundel, die bovendien een interessante drukgeschiedenis kent en waarbij ook voor bibliofielen pur sang wat te beleven valt: Tuin van Eros.
Tuin van Eros (1932), band met tekening van Henk Wiegersma
Context
De eerste druk van Tuin van Eros (1932) verschijnt in een periode dat Engelman buiten De Gemeenschap staat. Behalve dat hij sinds 1930 geen redacteur meer is, draagt hij ook niets meer bij aan het tijdschrift dat hij ooit samen met Kuitenbrouwer en Kuyle, nu zijn vijanden, oprichtte. Binnen de groep van De Gemeenschap zijn zelfs steeds meer negatieve geluiden in de richting van Engelman te horen, bijvoorbeeld van Albert Kuyle en Henk Kuitenbrouwer. Zo publiceert Kuyle in 1932 in het tijdschrift zelf een fel polemisch stuk, waarin hij ontkent dat Engelman in de voorbije periode ook maar van enige positieve waarde voor de katholieke literatuur is geweest. Alleen Anton van Duinkerken neemt het voor Engelman op.
In 1996 studeerde ik af aan de Radboud Universiteit, die toen nog Katholieke Universiteit Nijmegen heette. Mijn afstudeerscriptie ging over de bekendste onbekende katholieke dichter uit het interbellum, Jan Engelman (1900-1972). Eén ding kreeg ik al gauw in de gaten: het verzamelen van Engelman was niet alleen leuk om je studie-object zo compleet mogelijk in huis te hebben, maar ook op het gebied van drukgeschiedenis, typografie en boekverzorging valt er aan Engelmans werk veel te beleven. In een aantal afleveringen laat ik de dichtbundels van 1927-1940 de revue passeren. Hieronder de eerste aflevering: over het debuut uit 1927 en de wonderlijk mooie bundel Sine Nomine (1930).
1927: het debuut
Jan Engelman kwam voort uit de groep die men wel is gaan aanduiden als de jong-katholieken, die aanvankelijk deels rondom het tijdschrift Roeping waren georganiseerd (zoals iedereen zich organiseerde naar gezindte in het verzuilde Nederland). Ontevreden jonge katholieke schrijvers keerden zich tegen de tendens in Roeping om kunst en literatuur eenzijdig ethisch-religieus te benaderen: schoonheid is dat wat tot God leidt en de kunstenaar moet in zijn kunst vooral zijn geloof belijden.
Engelman heeft in Roeping ook enkele gedichten gepubliceerd, maar al spoedig, in 1925, richtte hij samen met enkele andere ‘jongeren’ een nieuw tijdschrift op, De Gemeenschap. In het tijdschrift publiceerde Engelman weer gedichten, maar ook beschouwingen over literatuur en kunst.
In 1927 bundelde Engelman een aantal van zijn eerste gedichten in Het Roosvenster.
Jan Engelman, Het roosvenster. Stenfert Kroese & Van Der Zande, Arnhem, 1927. 1e druk – paperback, 15p. – gedrukt bij drukkerij Boosten & Stols, crème papieren omslag, rood uitgeversembleem.
Het is een dun bundeltje en geeft een heel ander beeld dan we bij Engelman hebben: de gedichten zijn langer dan zijn latere, meer lyrische poëzie en vertonen behoorlijk lange regels, zoals in het gedicht “De geboorte”.
Achteraf besef ik dat ik met het onderwijs dat ik kreeg (aan het Maastrichtse Henric van Veldekecollege) erg bevoorrecht was, specifiek waar het gaat om letterkunde en nog specifieker waar het gaat om Nederlandse letterkunde (al was de beroemde Fernand Lodewick al met pensioen). In de laatste drie jaren van het vwo had ik voor Nederlands achtereenvolgens de docenten C., D. en F. Zij loodsten ons uitgebreid door de literatuurgeschiedenis der Nederlanden en deden dat vrij grondig met ondersteuning van veel tekstvoorbeelden.
C. behandelde in het 4e leerjaar de middeleeuwen, D. in het 5e leerjaar de nieuwere letterkunde tot aan de Romantiek, en F. in het 6e leerjaar de literatuur vanaf de Romantiek (met veel nadruk op de Tachtigers). Ik kan me nog herinneren, dat D. op een maandagochtend zei: “Als ik één of twee van jullie duurzaam kan interesseren voor literatuur, dan is mijn missie geslaagd.” Als 16-jarige wist ik op dat moment al: daar ben ik er één van. Tijdens datzelfde jaar behandelden we met name “de Renaissance”, van Jan van der Noot en met Jan Luyken, van de familie Roemer Visscher tot en met Jacob Cats. Wij wisten, of konden weten, naar welke schrijver het Barlaeusgymnasium vernoemd was, wie La Défense et illustration de la langue française had geschreven, wat het belang was van de Twe-spraack vande Nederduitsche letterkunst, wat petrarkisme was en hoe de Franse Pléiade-groep invloed had op onze letterkunde.
Een aantal van de boeken en drukken die in de jaren twintig en dertig verschenen van Arthur van Schendel zitten enkele exemplaren die fraai zijn uitgegeven, niet in de laatste plaats vanwege de bijzondere boekbanden, soms ook de frontispice of andere prenten en een enkele keer ook de typografie zelf. Hieronder enkele voorbeelden uit mijn eigen bibliotheek.
Blanke gestalten
Arthur van Schendel, Blanke gestalten. - Amsterdam: J.M. Meulenhoff, 1923, 1e druk, 210p.
De rode linnen band is voorzien van opdruk in goud en zwart. Op het voorplat een afbeelding van een vrouwenfiguur (non) tegen de achtergrond van een kasteel- of burchtachtig gebouw. Op de rug is een bloemmotief te zien, dat waarschijnlijk een iris is, gezien ook het versierde schutblad, dat “Iris boeken” vermeldt.
Verlaine
Arthur vanSchendel, Verlaine: het leven van een dichter. - Amsterdam: J.M. Meulenhoff, 1927, 1e druk, 184p.
Dit boek is een impressionistische beschouwing over persoon en werk van Verlaine, geen wetenschappelijke studie. Daarmee geeft het meer informatie over de auteur dan de beschrevene.
Vervolgens een fraai boek van Arthur van Schendel over Verlaine, “het leven van een dichter”: een dichterlijke schrijver over een andere dichter – dat is natuurlijk geen wetenschappelijk verantwoorde studie of biografie, maar als je het meer leest als een impressionistische beschouwing van Van Schendel i.p.v. een studie over Verlaine (deze zeer adequate formulering dank ik aan antiquaar Fokas Holthuis), dan is er veel te genieten.
Dat genot geldt evenzeer voor de vormgeving van het boek. Wat een prachtig bandontwerp! Dit blijkt te zijn van Pieter Hofman, die banden ontwierp in symbolistische en art deco stijl. Zie voor meer over hem o.a. de fotoblog van Dutch Book Design over “laat symbolisme” en een kort artikel op de site van Rond 1900.
De waterman
Arthur vanSchendel, De waterman. - Rotterdam: Nijgh & Van Ditmar, 1933, 1e druk, 239p.
Fraaie roodlinnen band met zilveren opdruk, zilveren schutbladen. In eerste instantie dacht ik genept te zijn, omdat die zilveren schutbladen er later op geplakt leken, bij wijze van boekherstel, zo nieuw en modern leek dit materiaal, maar nader onderzoek leert dat dit oorspronkelijk zo bij het boek hoort. Ook mooi is de typografie in dit boek, met name door de kunstige verwerking van de initialen van de uitgever.
Het verhaal van de Vliegende Hollander, over een spookschip dat voor eeuwig rond Kaap de Goede Hoop zou varen, is vermaard en vele malen bewerkt (zie o.a. Wagner). Waar komt dat verhaal vandaan? Is het wel een authentiek Nederlands verhaal? Op dit soort vragen probeerde Gerrit Kalff jr. een antwoord te vinden.
Het resultaat van zijn zoektocht bracht hij uit in een gepassioneerd en bloemrijk, zij het soms wat gedateerd proza, onder de titel: De sage van den Vliegenden Hollander, met de in onze oren wat ouderwets deftig klinkende ondertitel “Naar behandeling, oorsprong en zin onderzocht”. Het boek verscheen in 1923 bij uitgeverij W.J. Thieme.