Multatuli was een geniaal schrijver, Conrad Busken Huet een talent. Dat was het oordeel van Ter Braak en Du Perron in de jaren dertig. Sindsdien lijkt dit oordeel niet meer ingrijpend veranderd. De laatste decennia alleen al zijn tal van biografieën verschenen over Multatuli (W.F. Hermans 1976, Paul van ’t Veer 1982, Hans van Straten 1995, Dik van der Meulen 2002 en zelfs een Multatuli Encyclopedie 1995) om nog niet te spreken over de andere overstelpende literatuur over “de enige grote Nederlandse schrijver van de 19de eeuw”.

Voor een biografie van Busken Huet hebben we moeten wachten tot 2007. Na 3 jaar is het boek alweer in de ramsj terecht gekomen, omdat niet voldoende mensen er het geld voor over hadden (of onbekend maakt onbemind).

Schrijvers uit de negentiende eeuw worden niet meer door een groot publiek gelezen, en dat is nogal een eufemisme. Van Multatuli kan tenminste gezegd worden dat hij nog gelezen wordt, al is het meestal onder dwang op school en gaat het bijna altijd alleen maar om het boek Max Havelaar. Een enkeling leest uit nostalgie de uit de “Ideen” samengevoegde roman Woutertje Pieterse, sommigen kennen fragmenten uit zijn Ideen (vanwege het aforistische karakter ervan) of lezen zelfs de grappige en fascinerende Minnebrieven.

Het aantal mensen in een jaar dat het werk van Busken Huet erop naslaat kun je waarschijnlijk op één, misschien twee handen tellen. Onder de levende Nederlanders bevinden zich misschien tien mensen die zijn roman Lidewyde (1868) van kaft tot kaft gelezen hebben.

Zijn bekendste werk wordt toch gevormd door zijn kritieken – en daar was hij magistraal in – en door zijn studie over Nederlandse geschiedenis Het land van Rembrandt (1882-1884). Een vergelijking tussen Busken Huet (1826-1886) en Multatuli (1820-1887) is des te interessanter omdat hun levens nagenoeg geheel overlappen. Zij vormen onderdeel van diezelfde negentiende-eeuwse Nederlandse cultuur.

Het is toch het wat deftige Haagse van Huet, dat tegenover het rauwe Amsterdamse van Multatuli wat stijfjes lijkt te zijn geworden. Ik bezit zelf ook een enkel deeltje uit de brieven die Huet aan zijn vrouw schreef, maar je slaat achterover van verbazing hoe formeel hij haar aanschrijft. Tegen de levendigheid van Multatuli’s brieven kan hij in de verste verte niet op. Toch was hij een schrijver met een scherp geslepen pen. In een enkele dodelijke zin kon hij iemand genadeloos afserveren, die naar zijn smaak niet voldoende bijdroeg aan de cultuur. Het etiket “Vadertje Cats” heeft de 17de-eeuwse dichter niet meer losgelaten: Busken Huet heeft hem weggezet als de typisch Nederlandse hypocriet vrome moneymaker.

Het is dan ook niet meer dan gerechtigheid dat er eindelijk een actuele biografie is verschenen, waarin de studies over zijn leven en werk van de laatste decennia zijn verwerkt. De laatste biografie vóór deze dateerde uit 1949 en die is om meerdere redenen verouderd dan wel ongeschikt. Dit lange ontbreken van een fatsoenlijke biografie heeft Olf Praamstra ruimschoots gecompenseerd, alleen al door de omvang van het boek: een dikke turf van bijna 1000 bladzijden.

De biografie van Huet door Praamstra is een duidelijk staaltje van wetenschappelijk kunnen in de beste tradities: nauwkeurig gedocumenteerd, voorzien van bronverwijzingen, literatuuropgave en index, gecombineerd met een meer psychologische inleving in het leven en werk van Busken Huet. De opzet is redelijk traditioneel: een chronologische opdeling in 5 delen van zijn leven, waarin aandacht wordt besteed aan resp. zijn jeugdjaren, zijn jaren als predikant, criticus en journalist in Nederlands-Indië, en ten slotte als letterkundige in Parijs. Netjes, overzichtelijk, maar desondanks nergens saai. Er zijn tal van gegevens boven water gehaald, en de auteur belooft in zijn woord vooraf ook dat een aantal van zijn inzichten juist tegenovergesteld zijn aan die van eerdere biografen.

Busken Huet was een groot bewonderaar van de Franse cultuur. Hij probeerde door flink te snoeien de kwaliteit van de Nederlandse cultuur naar een hoger peil te tillen, zodat deze ook mee kon tellen binnen het grotere verband van de Europese cultuur.

Minder bekend, behalve voor de enkele ingewijde, is dat Busken Huet ook predikant is geweest en als zodanig ook een belangrijke rol in de Nederlandse kerkgeschiedenis heeft gespeeld. Deze biografie doet dit haarfijn uit de doeken, evenals de historische en culturele achtergronden die bij dit leven en werk horen. Praamstra werpt via Huet ook het licht op een belangrijk stuk cultuur- en mentaliteitsgeschiedenis van het Nederland dat inmiddels niet meer in die vorm bestaat.

Bibliografie

Olf Praamstra, Busken Huet: een biografie. SUN, Amsterdam, 2007, 941p.